De meeste jongeren hebben een relatief onbezorgde jeugd. Er zullen vast wel problemen zijn, maar die kunnen meestal binnen het gezin of directe omgeving worden opgelost. Als de problemen groter worden, dan kun je in aanraking komen met Jeugdzorg. Dit overkomt bijna 15% van de jongeren.
Jeugdzorg is echter een containerbegrip. Het omvat jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Dit heeft mede te maken met de overgang van deze taak van het Rijk naar de gemeenten in 2015.
Jeugdhulp richt zich vooral op hulp bij psychische problemen, verstandelijke beperking en opvoedproblemen. Meestal is die hulp mogelijk binnen het gezin, maar anders bij een pleegezin of hulp bij een instelling, al dan niet met verblijf. De uitvoer ligt bij de jeugdhulpaanbieders
Jeugdbescherming gaat verder, want dan kan er sprake zijn onder toezichtstelling (OTS) of voogdij. Hierbij wordt de rol van de ouder beperkt.
Bij jeugdreclassering is sprake van gedwongen of vrijwillige begeleiding.
Jeugdbescherming en jeugdreclassering worden uitgevoerd door gecertificeerde instellingen. Je hoort echter vaak in het nieuws dat het hierbij niet goed gaat. Lange wachtlijsten, budgettekort, slechte begeleiding, personeelstekort en slechte communicatie. Daarbij speelt ook nog eens dat er vaak vanaf 18 jaar ineens de zorg wegvalt.
Ik wilde wel eens weten hoe het in elkaar zat en ging in Den Bosch naar een bijeenkomst over dit onderwerp. Hier spraken zowel hulpverleners als hulpontvangers en dat leverde een beeld op waar ik me niet zo van bewust was.
Het ideaal beeld zou zijn dat je een spoor kan volgen en dan bij verschillende stations de hulp kan krijgen die je nodig hebt. Als het nodig is neem je de sneltrein. Dat kan soms nodig zijn, immers bij iemand met een hartaanval ga je ook niet eerst een bloedonderzoek doen. Daan Creemers, hoofd wetenschappelijk onderzoek bij het Depressie Expertise Centrum Jeugd van GGZ-Oost Brabant en bestuurder bij stichting Koraal, noemde het echter een jungle. Dat klinkt niet hoopgevend.
Katie Jayne was in haar jeugd vooral zoekende en kwam veelvuldig in aanraking met de hulpverlening en jeugdzorg. Nu jaren later is ze zelf hulpverlener. Ze kwam in een situatie terecht waardoor ze zich minderwaardig voelde. Dit kwam onder andere doordat ze gepest werd. Toen ze in aanraking kwam met de jeugdzorg viel het haar op dat ze meteen haar hele verhaal moest doen. Daar was ze helemaal nog niet aan toe, ze zocht vooral naar een vertrouwensband. Vaak ben je bij de stationnetjes slechts een passant en moet je telkens opnieuw je verhaal doen. Het geeft niet echt steun als je jong bent en daar was ze juist wel naar op zoek.
Ze gaf ook aan dat het belangrijk is dat er gekeken wordt naar talenten en kansen die je hebt. Toen ze haar diploma haalde was ze heel blij, ze had iets bereikt. Ze wilde graag gezien worden, een vorm van erkenning. Zelfs een knuffel kan dan al waardevol zijn.
Daar lijkt in de huidige zorg weinig ruimte voor. Daar heersen afspraken en regels boven het zoeken naar verbinding.
Daan Rijkers heeft ook geen gemakkelijke jeugd gehad. In een (gezins)omgeving met misbruik en drugs leek het bijna onvermijdelijk dat hij in een pleeggezin terecht kwam en uiteindelijk in de jeugddetentie. Als je eenmaal in zo’n omgeving zit, dan mag je niet meer kwetsbaar zijn volgens Daan. Het is een omgeving waarin je erg gecontroleerd wordt, terwijl je het liefst zelf controle zou willen hebben. Hoe raar het ook klinkt, dan is criminaliteit een prima middel. Dat geeft je een vorm van controle.
Wat hem ook opviel is dat er veel werd gesproken met zijn ouders over maatregelen en niet met hem. Wettelijk gezien zijn de ouders wel verantwoordelijk, maar hij was degene met de problemen. Nu jaren later zit het allemaal nog in zijn hoofd en is hij nog steeds niet verlost van de trauma’s en heeft hij nog steeds therapie nodig. Wel goed dat hij dit kon uitspreken.
Noa van Hagen gaf aan eigenlijk te komen uit een best goed gezin. Er waren geen geldproblemen en opgroeien zou eigenlijk in zo’n omgeving niet mis moeten kunnen gaan. En toch ging het mis en kwam ze uiteindelijk in de gesloten jeugdzorg terecht. Niet op 1 plek, maar op maar liefst 14 plekken. Ze komt op veel congressen over jeugdzorg en haar valt het op dat er vooral wordt gesproken over de vorm, het systeem en zelden over de inhoud. Het systeem is ondertussen vastgelopen. Er zou volgens haar meer naar passende hulp moeten worden gekeken. Deze maatschappij is nogal individualistisch ingesteld, terwijl het bij jeugdzorg juist het tegenovergestelde nodig is. Je moet vooral luisteren naar de jeugd en van daaruit handelen, niet vanuit een systeem.
Ze wees ook op het belang dat het hele gezin wordt betrokken. In haar geval werden alleen de ouders betrokken, terwijl haar broer en zus dat niet werden. Nu ze zelf hulp verleent vanuit steunpunt Avalon merkt ze hoe moeilijk het is om dat goed te doen. Ze haalde een recente situatie aan waarin een minderjarige vrouw enorm agressief was. Het duurde echter een halve dag voordat de crisisdienst kwam en die wilde niets doen. Uiteindelijk werd een noodmaatregel gedaan, maar hulp was er niet.

Bijna symbolisch was het vervolg. Aan een tafel zaten de voormalige jeugdigen en aan een andere tafel (op afstand) zaten de hulpverleners. Snel werd het voorstel gedaan om de tafels naast elkaar te zetten en de mensen door elkaar te plaatsen.
Daan Creemers gaf aan dat er nu een studie is naar jongeren die zijn overleden. Er wordt gekeken hoe het zover heeft kunnen komen. Het valt hem op hoeveel doorverwijzingen er zijn en dat vaak de hulp stopt als de jongere 18 is geworden. Het geeft hem een gevoel van machteloosheid. Hij pleit er dan ook voor dat er in de zorg risico’s moeten worden genomen, maar dat een hulpverlener bij een jongere kan blijven. Wat dat betreft sprak een uitspraak op een sheet (de enige van deze avond) van Katie Jayne hem aan: ‘Loop niet weg als het moeilijk wordt’.

Anne Pelzer, kinder- en jeugdpsychiater gespecialiseerd in de acute jeugd-ggz, merkte op dat het eigenlijk al begint bij de opleiding van de hulpverleners. Daar wordt veel te veel in structuren gedacht, terwijl dat bij mentale kwestie niet zo is. Dat kun je doen bij een gebroken been, daar zal de procedure bij elk persoon wel ongeveer gelijk zijn, maar een mentaal probleem kan bij de ene jongere heel anders uitwerken dan bij de andere. Een goede relatie tussen hulpverlener en jongere is van groot belang. Daarvoor is het nodig om uit je comfortzone te kunnen (en mogen) treden.
Daan Rijkers merkte op dat er veel rotte appels in de zorgverlening zijn. Vaak wordt het minimale geboden, zijn er geen dagprogramma’s en is de controle (en wederzijds vertrouwen) vaak afwezig. Hij reflecteerde ook gelijk naar het publiek, hij zag veel mensen in een gesloten houding (armen over elkaar) zitten.
Noa merkte nog op dat veel zorg is gericht op de korte termijn. Complexe zorg wordt vaak niet verleend omdat het te duur is (of omdat men geen risico wil lopen). Als je naar de langere termijn zou kijken, zou het juist wel goedkoper kunnen zijn. Ze heeft zelf maanden in gesloten inrichtingen gezeten á € 800 per dag, maar zonder toereikende hulp. Ze pleit dan ook voor de gesloten opvang op de schop gaat. Veel regels dragen nergens toe bij, zoals ze beschrijft in het ‘tosti-dilemma’.
Wat me duidelijk is geworden deze avond is dat je jeugdzorg niet achter een tekentafel kan maken. Terwijl de regelmakers graag voor een eenheidsworst gaan, is de vraag vanuit de praktijk een appeltaart met veel variatie. Het is wel duidelijk dat je hier geld niet een rol moet laten spelen, maar de jongere zelf. Dat zal helaas niet zo gemakkelijk gaan in Den Haag en daarmee zal helaas ook de jeugdzorg nog vele slachtoffers vragen.
